Geschiedenis

De naam Eizeringen zou verwijzen naar een Frankische oorsprong, nl. ingaheim. In 1188 werd reeds melding gemaakt van Iserghem, hetgeen zou wijzen op de aanwezigheid van een grote hoeve.

Omstreeks 1300 werd door een familie van Iserghem een kapel opgericht, waarvan de patrones Sint-Ursula is en die afhing van de parochie van Sint-Kwinten. Destijds waren er 12 kapelanijen, doch enkel de kapel van Sint-Ursula groeide uit tot een zelfstandige parochie. De Sint-Geertrui-abdij van Nijvel had het patronaat over de kapelanij en benoemde de kapelaan.

In 1595 krijgt de pastoor van Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek de kapelanij van de Sint-Ursulakapel toegewezen.

In 1778 wordt Antonius Luyssaet, onderpastoor van Sint-Kwintens-Lennik, kapelaan van Eizeringen en wordt de kapel ondergeschikt aan de parochie van Sint-Kwintens.

Rond 1500 was Eizeringen van de familie Edingen-Kestergat. Daarna ging de heerlijkheid over naar de adellijke families d'Aubermont (1630-1660), de Espinoza (1660-1690), de Man (1690-1700) en de Kempis (1700-1729). In 1729 schonk Johannes Petrus de Kempis de heerlijkheid Eizeringen als bruidsschat aan zijn schoonzoon Sebastiaan Antoon Huysman.

Wegens enerzijds de slechte wegen naar Sint-Kwintens-Lennik en anderzijds het voldoende aantal inwoners in Eizeringen zelf, wordt in 1807 een petitie opgesteld om de kapel te vergroten. De grote voorvechter voor de nieuwe kerk is de zoon van Sebastiaan Huysman, nl. Joseph Huysman de Neufcour. In 1840 krijgt de kasteelheer van Eizeringen en voorzitter van de kerkfabriek toestemming om de kapel te vergroten.

Oorspronkelijk zou een nieuw schip gebouwd worden over de bestaande kapel. Toen de toren van de kapel op het nieuwe schip werd overgebracht, stortte deze in. De kapel werd daarop bijna volledig afgebroken. Alleen de muur tussen het koor en de sacristie, waar de in 1778 door schilder Meert uitgebeelde verheerlijking van St-Ursula bleef staan. Architect Spaak bouwde dan in 1842 een nieuwe, bakstenen kerk in neoclassicistische stijl.

Op 1 januari 1843 wordt Eizeringen, ondanks veel protest van de kerkfabriek van Sint-Kwintens-Lennik, parochiaal onafhankelijk van Sint-Kwinten. De eerste pastoor was Philippus Jacobus Van Dorslaer, die tussen 1832 en 1840 onderpastoor was te Lennik en vanaf 1840 tot 1843 kapelaan was van de kapel.

Oude prentkaart uit 1903

 

De Slag van ten Nelleken
In de buurt van ’t Nelleken vond in 1333 een gewapend treffen plaats tussen soldaten van het hertogdom Brabant (Jan III) en het leger van het graafschap Vlaanderen (Lodewijk van Nevers). Deze confrontatie, waarbij Vlaanderen het onderspit moest delven, kaderde in de langdurige vijandschap tussen beide machtsblokken in de middeleeuwen.

 

Verhalen van weleer

Kasteelheer Sas
Rond 1855, na het vertrek van de Spaanse Infante, kreeg het kasteel van Eizeringen een nieuwe bewoner, namelijk Mijnheer Sas, naar de overlevering een Hollander. Deze heer wilde voor de kerkgangers van Ten Nelleken de doorgang verbieden langs de Lindedreef die het pad langsheen de kasteeltuin verbond met de Leckebaert, hetgeen voor deze mensen de gewone en kortste weg was naar de kerk.
Om de heer Sas met nadruk duidelijk te maken dat zij zulke praktijken niet gewoon waren en deze best konden missen, hadden zij er niets beter op gevonden dan stoetsgewijze met een stropop op een slede de dreef in te trekken en die daar te verbranden onder gebral en gebrul.
Dit gaf aanleiding tot een nieuw spotlied dat veel gezongen werd en waarvan het refrein als volgt luidde: “Hij heet de weg belet, Zij hebbe ‘r hem afgezet. Al is hij Sas, al is hij Sas, hij zit in groot ambras”.
Naar deze tekst te oordelen hadden die van Ten Nelleken mijnheer Sas reeds eerder de dreef uitgejaagd, zich steunend op het gewoonterecht. Zonder twijfel werd mijnheer Sas het leven zuur gemaakt, want in 1865 kreeg Eizeringen een nieuwe kasteelheer uit Gent, namelijk baron van Pottelbergh de la Potterie.

Uit “De Kerk van Eyzeringen” door Karel Van Ginderdeuren.

De Heeten Heuzel
De Heeten Heuzel was een vermaard tovenaar. Niemand wist van waar hij gekomen was. Hij woonde in een donkere spelonk nabij het Kluisbosch, tussen Ten Nelleken en Ten Ham, twee gehuchten van Sint-Kwintens-Lennik. Zeer veel oude mensen van de beide Lenniken, Gooik, Leerbeek en Kester, hebben, zeggen ze, de Heeten Heuzel gekend. Veel wordt er over hem verteld.
De Heeten Heuzel was een boerenknecht die kon toveren. Hij was sterk en op zijn honderd gemakken kon hij de grootste bomen uittrekken. Hij kon een zak met paardenbonen dragen, zo zwaar dat drie andere mannen hem niet konden verroeren. Op zeker dag hield hij een wagen tegen, waaraan vier kloeke paarden gespannen waren.
Op een keer moest de Heeten Heuzel het mest, dat in hopen op het land stond, met een riek openspreiden. Toen zijn meester ’s avonds thuis kwam, merkte hij dat de Heuzel niets gedaan had. Hij bekeef zijn knecht, maar deze zei: “Wacht !”. Hij zette zich met de riek nevens een mesthoop en zei: “Iedereen op zijn post … aan mij de mijne, aan iedereen de zijne !”. Hij bedoelde de mesthopen. En hij wierp zijn hoop open. En de boer zag het mest van al de andere hopen tegelijkertijd openvliegen. Hij zag de helpers van de Heeten Heuzel niet, het waren zonder twijfel duivels.
Het is lang, lang geleden. Maar er stond toen te Lennik een pastoor, een heilig man, die de macht had verkregen om de toverij te verjagen. Hij werd gewaarschuwd dat de Heeten Heuzel een tovenaar was en hij wilde er zich van overtuigen. Daarom huurde hij de Heuzel als knecht. De Heuzel gedroeg zich bij de pastoor als de beste der mensen. Hij was niet koppig, maar eerlijke en braaf, rap in hand en tand, een voorbeeld van een mens. De pastoor kon er niet wijs uit worden. De duivel die in het lichaam van de Heeten Heuzel woonde, moest een zonderlinge duivel zijn en de pastoor werd gewaar dat hij nooit over zulke hekserij meester zou worden.
Hij besloot een bedevaart te doen naar Keulen, naar de heilige en machtige dom. Vooraleer weg te gaan, organiseerde hij een octaaf en gebood aan de Heeten Heuzel en al zijn parochianen al de diensten ervan tot de laatste dag bij te wonen. Daarna moest de knecht de pastoor te Keulen komen vinden. De pasteur kroop op zijn witte paard met de brieven onder de arm en trok naar Duitsland. Dagen en nachten verliepen … Eindelijk waren de parochianen voor de achtste maal in de kerk van Lennik vergaderd. De Heeten Heuzel zat in het midden van de beuk. Ineens werd hij opgenomen in de lucht en vloog langs het torenvenster buiten. De pastoor kwam juist in een voorstad van Keulen. Eensklaps hoorde hij achter zich een hels gebries en getrappel. ’t Was alsof een draaiwind altijd nader en nader kwam. Plots zag hij naast zich een zwart en mager paard en daarop zat zijn knecht: de Heeten Heuzel. En of de pastoor verschrikt was! Doch hij schepte moed. “Wat !” riep hij, “zou een tovenaar mij overwinnen ?”. Hij gaf zijn paard de sporen. Enige ogenblikken later stond hij voor de deure van de kerk; maar naast hem stond het zwart paard van de Heeten Heuzel. Ze reden beiden tegelijk binnen. De paters van de kerk, die van de zaak op de hoogte waren gebracht, kwamen bijgelopen, ze wilden de tovenaar overlezen en hem, zonder dat hij kon vermoeden, onder het koor van Sint-Franciscus slaan. Maar de Heeten Heuzel werd het gewaar en huilend en kermend liep hij met zijn zwart paard rond de Dom, doch hij vond nergens een uitgang . Alles was gesloten. Ineens nam hij zijn loop en met zijn paard sprong hij door het sleutelgat naar buiten.
Men vertelt te Keulen dat sindsdien het slot verwrongen is en grijnst en knarst telkens men de deur opent of sluit. Te Lennik heeft men nooit meer de Heeten Heuzel weergezien.

Uit: Twyffelloos (De Gronckel). Het Pajottenland.
Brabants Sagenboek van A. De Cock & Ls Teirlinck.